VEGETATIE EN FLORA VAN OOST-AFRIKA

Rangelands: Een verzamelnaam voor alle gebieden welke een goede habitat vormen voor wilde of gedomesticeerde dieren. In dit geval voornamelijk grazende dieren, waarvan het grootste percentage weer wordt ingenomen door de familie der Bovidae of holhoornigen. De rangelands welke het grootste gedeelte van de hoger gelegen delen van Tanzania en Kenya innemen zijn onder te verdelen in drie grote hoofdgroepen namelijk:
  1. B u s h l a n d & t h i c k e t
  2. G r a s s l a n d
  3. B u s h e d & w o o d e d g r a s s l a n d .

TSAVO EN AMBOSELI NATIONAL PARKS.

Deze nationale parken worden gekenmerkt door het voorkomen van een redelijk vochtig soort Bushland met een neerslag van ongeveer 750 mm per jaar. Het vegetatiedek bestaat hoofdzakelijk uit houtachtige gewassen met een struikachtige fysiognomie waarvan velen succulente of doornachtige delen hebben. Belangrijk is het geslacht Commiphora. Leden van de familie der Capparidaceae zijn ook veelvuldig aanwezig, hoofdzakelijk de geslachten Boscia, Cadaba en Mearua. Ze worden gekenmerkt door opvallende bloemen met vele meeldraden en daarna door sappige besachtige vruchten aan lange stelen.

Commiphora africana  Balanites aegyptica
Fig. 2.1 Commiphora africana. (Dale and Greenway)    Fig. 2.2 Balanites aegyptica. (Eggeling)

Ook het geslacht Grewia (Tiliaceae) is gewoon. De kruidlaag tussen de struiken en bomen wordt gevormd door éénjarige grassen en kortlevende kruiden. Door de grote begrazingsdruk is die bodem het grootste deel van het jaar kaal.
Verspreid voorkomend in het landschap komen bosjes voor van Euphorbia candelabrum en E.tirucalli. De laatste een boom met lange succulente bladerloze takken. De meest voorkomende bomen, welke behalve in de allerdroogste gebieden overal wel verspreid voorkomen, behoren tot het geslacht Acacia. Ook is de tot 6 meter hoge bolvormige altijd groene struik Balanites aegyptica een veel geziene soort.

Andere bekende soorten zijn Lannea stuhlmannii met lange trossen crèmekleurige sterk geurende bloemen; de dichotoom vertakkende 'Doum' palm: Hyphaena thebaica en de opvallende Baobab: Adansonia digitata.

Grewia mollis  Capparis tomentosa
Fig. 2.3 Grewia mollis. (Flora Congo Belge)    Fig. 2.4 Capparis tomentosa. (Flora Rhodesia)

SERENGETI NATIONAL PARK

.
Dit nationale park in Tanzania kan als voorbeeld dienen voor het type ( 2 ) G r a s s 1 a n d. Het westelijke deel van het park bestaat uit doorsneden heuvelachtig terrein, begroeid met Acacia- Balanites- Commiphora Bushland. In het oosten zijn de 'Crater Highlands', een vulkanisch gebergte, oprijzend tot 4.250 meter. Hiertussen strekken zich de Serengeti Plains uit, die met elkaar een oppervlakte van 2500 km2 bedekken op een gemiddelde hoogte van 1700 meter. Deze vlakten vertegenwoordigen buiten de aride steppezone in het noorden de vrijwel enige echte grasslands van Oost-Afrika.

In het Oosten, waar de bodem bestaat uit recente vulkanische afzettingen van de vulkaan Lungi, bestaat het grasdek uit kortere soorten, waaronder van het geslacht Sporobolis, vaak gemengd met de Cypergrasachtige Kyllinga.


Themeda triandra    Sporobolus pyramidalis
Fig. 2.8 Themeda triandra.(Edwards and Bogdan)    Fig 2.9 Sporobolus pyramidalis (Edwards and Bogdan)

De bodems naar het westen worden dieper en zwaarder, ten dele ontstaan uit graniet. Grotere Grassoorten, waaronder Themeda triandra en Pennisetum mezianum zijn hier de belangrijkste bodembedekkers. Andere belangrijke en veel voorkomende grassoorten van de vlakten zijn Digitaria macroblephara, Cenchrus ciliaris en vele soorten Hyparrhenia.

De hoog gelegen grasgebieden van de Ngorogoro krater behoren tot het Themeda triandra - Pennisetum clandestinum vegetatie type, ontstaan uit de hoger gelegen gebergte bossen. Themeda triandra, Pennisetum clandestinum zijn de belangrijkste vertegenwoordigers met Hyparrhenia spp. als een van de vele frequent voorkomende andere grassoorten. In de krater is Pennisetum schimperi de belangrijkste vegetatiecomponent, terwijl P. clandestinum dit op de hellingen en kammen is en Eleusine jageri in de bossages.

Profiles of Bushland types
Fig. 2.5 Profiles of Bushland types (Pratt et al, 1966

LOLIONDO CONTROLLED AREA

Dit gebied grenst aan het Serengeti nationaal Park. Het ligt aan de oostelijke kant, boven het Ngorogoro Conservation gebied en met als bovengrens de landsgrens van Kenya. Ecologisch is het gebied een onderdeel van het Serengti ecologisch systeem. Apart van de grasslands komen in dit gebied -evenals in het Serengeti Nationaal Park- verschillende types wooded grassland voor. Ruwweg kan men een verdeling maken naar de fysiognomie van de bomen: namelijk samengesteldbladige bomen als dominant type en breedbladige boomsoorten als meest voorkomende type. Dit laatste type wordt wel omschreven als Combretacëen boomsavanne (Combretaceous wooded grassland) en komt voor in de noordwest hoek van het gebied. De belangrijkste soorten zijn van het genus Terminalia, Combretum en Erythrina, met daartussen enkele Acacia en Commiphora soorten.
Hyparrhenia rufa
Fig. 2.10 Hyparrhenia rufa. (Edwards and Bogdan)


Loudetia kagerensis    Cynodon dactylon
Fig. 2.11 Loudetia kagerensis. (Edwards and Bogdan)   Fig. 2.12 Cynodon dactylon. (Flora of Sudan)

De meeste opgaande bomen en struiken zijn tot op zekere hoogte vuurbestendig. De hoogte varieert, maar komt meestal niet boven de 12 meter. De stammen zijn sterk vertakt. Terminalia en Combretum soorten zijn te herkennen aan hun gevleugelde vruchten: Terminalia met twee vleugels, Combretum met vier. De grassen die voorkomen bereiken tijdons de bloei een hoogte van 1 tot 2 meter. Het zijn voornamelijk overjarige grassen als Andropogon, Brachiaria, Chloris, Eragrostis, Hyparrhenia, Loudetia erundinacea, Panicum, Setaria, Sporobolus en Themada. Op vele plaatsen komt het laag in voedselgehalte Hyparrhenia spp. gras voor. Vlak voor de inzet van het regenseizoen, wanneer de bomen nog kaal zijn en de grassen nog is het de tijd van de bol- en knolgewassen en snelgroeiende andere kruiden. De planten hebben over het algemeen opvallende gekleurde en gevormde bloemen. Soorten zijn: Gladiolus spp., verschillende Liliaceae zoals Hypoxis spp., Crinum spp., Haemanthus spp. en Ammocharis spp.


Panicum maximum    Hyparrhenia filipendula
Fig. 2.6 Panicum maximum. (Edwards and Bogdan)    Fig. 2.7 Hyparrhenia filipendula (Edward and Bogdan)

Een voorbeeld van de eerste soort: voornamelijk samengesteldbladige boomsoorten is het Acacia/Commiphora woodland in hot Loliondo gebied. Afhankelijk van de topografie van het terrein zijn zeer verschillende Acaciasoorten, dominant. In lager gelegen gebieden waar water ook moerasachtige gebieden vormt, is de koortsboom of Acacia xanthophloa en de whistling thorn of Acacia drepanolobium een dominante soort. Op hoger gelegen en droger terrein ziet men Acacia tortilis met een afgeronde paddestoelachtige kroon. In gallerijbossen is Acacia gerrardii vaak samen met A. polycantha subsp. campylacantha als aaneengesloten bosformatie aanwezig. Acacia clavigera een belangrijke boom in de kustgebieden van Tanzania, speelt ook een rol in de Serengeti woodlands.


Brachystegia spiciformes    Terminalia mollis
Fig. 2.13 Brachystegia spiciformes (Flora of Rhodesia)    Fig. 2.3 Fruits of Terminalia mollis. (Flora of Rhodesia)

De rijkste ontwikkeling heeft het Acacia Woodland in de Acacia/Themeda boomsteppen, die de Kenya hooglanden omcirkelen. Regenval is zeer onbetrouwbaar (500-750 mm). Ook hier weer veel variatie in boom- en kruidensoorten, naar gelang de habitat, maar altijd is Acacia de meest voorkomende boomsoort en 'red oat grass' of Themeda triandra het dominante gras. De meest voorkomende Acaciasoorten zijn: A.tortilis subsp. spirocarpa, A.seyal, A.nilotica, A.gerrardii, A.nigrescens en A.senegal. Ook hier is in de zware montmorilloniet k1eigronden (vertisolen) de galdragende Acacia of 'whistling thorn' A.drepanolobium met zwarte gallen en Acacia seyal var. fistulosa met witte gallen dominant.

Het meerjarige gras Themeda triandra bereikt tijdens de bloei hier een hoogte van ong. 1,5 meter en bedekt de bodem dan schijnbaar volledig. Het gras is zeer gemakkelijk te herkennen aan de roodkleurige bloempluimen.

Acacia sieberiana  Dalbergia melanoxylon
Fig 2 16 Acacia sieberiana (Flora of Sudan)  Fig. 2.14 Dalbergia melanoxylon.(Dale and Greenway)

Acacia polycantha subsp. campylocantha
Fig 2 15 Acacia polycantha subsp. campylocantha






TOURISTISCHE GEBIEDEN IN TANZANIA

  1. 1. Serengeti National Park
  2. 1a. Loliondo controlled area
  3. 1b. Maswa Game Reserve
  4. 2. Ngororo Conservation area
  5. 3. Lake Manyara National Park
  6. 4. Arusha National Park
  7. 5. Kilimanjaro National Park + Game Reserve
  8. 6. Mkomazi National Park
  9. 7. Mikumi National Park
  10. 8. Selous Game Reserve
  11. 9. Ruaha National Park
  12. 10. Rungwa River Game Reserve
  13. 11. Katavi Plain Game Reserve
  14. 12. Gombe Stream National Park
  15. 13. Biharamula Game Reserve

HOOFDTYPEN GRASLAND-ASSOCIATIES volgens Ratray

  1. Cl Chloris type
  2. H23, H24 Hyparrhenia typen
  3. P1 Pennisetum type
  4. Tl1, T12 Themeda typen



TOURISTISCHE GEBIEDEN IN KENYA

  1. 1. Tsavo National Park
  2. 2. Galana Game Reserve
  3. 3. Amboseli National Park
  4. 4. Nairobi National Park
  5. 5. Nakura National Park
  6. 6. Masai Mara National Park
  7. 7. Aberdare National Park
  8. 8. Mount Kenya National Park
  9. 9. Mount Meru Game Reserve
  10. 10. Samburu-Isiolo Game Reserve
  11. 11. Marsabit National Reserve
HOOFDTYPEN GRASLAND-ASSOCIATIES volgens Ratray
  1. C1 Chloris type
  2. F2 Pennisetum type
  3. H25 Hyparrhenia type
  4. T13 Themeda type

Exerpts from: The Grass cover of Africa, FAO 1960

H.23 TANZANIA

Hyparrhenia dissolute - H. filipendula - Andropogon schirensis -Pennisetum polystachyon - Eragrostis chapelieri - E. patens - Setaria sphacelata - Chloris gayana

These are chiefly tall grasses with a varying cover density, usually associated with a woodland of Brachystegia spp., or a more open woodland savanna type of vegetation dominated by Combretum spp. or Acacia spp. (A. tortilis subs. spirocarpa, A. nigrescens and A. clavigera subsp. usambarensis are common species). The soils are generally poor and sandy and derived from granite. This type occurs at altitudes ranging from 1.500 to 5,000 feet (450 to 1,500 metres) with a rainfall between 30 and 40 inches (760 to 1,020 millimetres) distributed during the period November to May.

Most of the grasses are palatable when young, but if not closely grazed or controlled by cutting they soon run to stalk and fibre, particularly the species of Hyparrhenia and Andropogon which grow to 7 feet (2 metres) in height. The carrying capacity is potentially good but much depends on management. The land is suitable for mixed farming with tobacco, rice and cassava. A large number of other crops, such as maize, sorghum, millet and groundnuts are also grown, but on account of the low soil fertility before the land is improved, yields generally are low. Livestock could play an important role in farming these areas. This type is characteristic of extensive areas of western Tanzania and parts of the eastern and southern regions; under natural conditions it has a carrying capacity of about 20 acres per beast but with better management and a certain amount of environmental improvement, this can be increased considerably.

H.24 TANZANIA

Hyparrhenia rufa - Bothriochloa glabra - Setaria sphacelata - S. holstii - Sporobolus robustus - S. marginatus - Ischaemum afrum - Chloris gayana - Hyparrhenia filipendula

In the more permanently wet areas, species such as Echinochloa pyramidalis, Leersia hexandra, Phragmites communis and Imperata cylindrica are common. This is an edaphic grassland which is maintained by periodic flooding and frequent burning. The soils are variable but fertile. The type occurs at altitudes from sea level to over 4,000 feet (1,220 metres) with a rainfall of 30 to 45 inches (760 to 1,140 millimetres) distributed between November and June. Much of the region is suitable for mixed farming with maize, sorghum, millet, cassava, cotton and sisal.

The type is typical of much of the coastal belt, having a carrying capacity of about 12 acres per beast under natural conditions, but with better management and a certain amount of environmental improvement such as clearing, this can be increased considerably.

H.25 KENYA

Hyparrhenia filipendula - H. dissolute - Loudetia kagerensis - Setaria trinervia - Themeda triandra - Cymbopogon afronardus

(Hyparrhenia pilgeriana and H. rufa are common on areas with impeded drainage and Imperata cylindrica on old cultivations.)

These are grasses of medium height (3 to 5 feet or 1 to 1.5 metres) generally associated with a tree savanna type of vegetation which varies from moderately dense to very open and is mostly dominated by Combretum sp. Bush clearing and or tire have brought about the open condition. The altitude varies from lake level at 3,750 feet (1,100 metres) to 66.500 feet (2,000 metres) and the rainfall from about 40 to 50 ins.

Hyparrhenia is usually 3 to 5 feet (1 to 1.5 metres) in height and is palatable early in the growing season, while the shorter grasses are palatable for a longer period. In seasonally waterlogged places, scattered throughout the area (about 10 percent of the land), the dominant species is Hyparrhenia pilgeriana, a grass of medium to good grazing value. On swampy ground at lower altitudes (Lake Victoria area), Hyparrhenia rufa is a dominant grass. The grazing capacity is estimated at 2 to 5 acres (0.8 to 2 hectares) per head per year, except in the areas of Cymbopogon afronardus, where it may be lower. Agriculturally this is a mixed farming area with maize as the main crop. Rhodes grass and molasses grass are cultivated in leys.

T.11 TANZANIA

Themeda triandra - Digitaria maitlandii - Andropogon schirensis - Setaria sphacelata

This grassland has been derived from forest, with forest relicts in fireprotected localities occurring above 4,000 feet (1,200 metres) and with an annual rainfall above 30 inches (760 millimetres). It is similar to type T.10, but contains more palatable species.

T.12 TANZANIA

Themeda triandra - Bothriochloa insculpta - Heteropogon contortus - Hyparrhenia - Harpachne schimperi - Cynodon plectostachyus - C. dactylon - Pennisetum mezianum

These grasses are associated with a very open, often almost treeless savanna with scattered Acacia drepanolobium or other tree species occurring on red and black soils and some flood plain areas. The type occurs at altitudes of 1,500 to 4,000 feet (450 to 1,200 metres) with a rainfall of 25 to 35 inches (640 to 900 millimetres) distributed over about five months between December and May. The quality of the grazing is good under proper management. Arable crops include maize, sorghum, millet, cowpeas, pigeon peas, cassava and sisal. The carrying capacity of the grassland under natural conditions of about 15 acres (6 hectares) per beast may be increased with proper management.

On a considerable area around the southeast side of Lake Victoria which has been intensively cultivated for many years, a sparse grass cover now exists, with Bothriochloa probably more common than Themeda. Van Rensburg describes it as "cultivation steppe".

T.13 KENYA

Themeda triandra - Eragrostis superba - Cenchrus ciliaris - Cymbopogon pospischilii - Bothriochloa insculpta - Heteropogon contortus

(Cynodon plectostachyus and C. dactylon cover extensive areas on old lake sites, and on the black clay plains Pennisetum mezianum, P. stramineum, Setaria phleoides and Digitaria sp. are very common.)

This is a very open savanna, being almost treeless in some areas or with a denser scattering of Acacia drepanolobium in others, occurring at an altitude between 3,500 and 6,500 feet (1,100 to 2,000 metres) and with a rainfall generally of the order of 25 to 35 inches (640 to 901) millimetres). The carrying capacity of the grass cover in the Acacia/Themeda zone varies considerably, but is mostly between 4 and 15 acres (1.5 and 6 hectares) per head per year. Agriculturally, this is predominantly ranching country with some marginal cultivation of maize and sisal. In the African areas, maize, sorghum, cassava, pigeon peas and pulses are cultivated more intensively.

Chloris type

C.1 KENYA, TANZANIA, UGANDA, SOMALIA

Chloris roxburghiana - Latipes senegalensis - Digitaria sp. - Enteropogon macrostachyus - Tetrapogon sp. - Cenchrus ciliaris in parts - Chrysopogon aucheri - Aristida adscensionis

(Sporobolus helvolus, a grass of high grazing value. predominates on heavy black soils with impeded drainage.)

These grasses are associated with tree or bush steppe in which Commiphora, Acacia and Adansonia are the chief tree species. It is found at altitudes of 1,500 to 4.000 feet (450 to 1,200 metres) with a rainfall of 15 to 25 inches (380 to 640 millimetres). Dense bush, which covers quite extensive areas, reduces the grazing capacity quite considerably. On the other hand, browse trees and shrubs contribute to a large extent to stock feeding in the dry seasons. There is considerable denudation of the grass cover due to overgrazing or uncontrolled grazing, particularly in the northern portion of the area, where there is no tsetse fly. The carrying capacity varies from 6 to 30 acres (2.5 to 12 hectares) per head per year (up to 50 acres or 20 hectares in dense bush). Agriculturally this is a ranching country with some African agriculture (maize, sorghum, pigeon pea). In TANZANIA, lack of water and the presence of tsetse fly prevent this country from being utilized to the best advantage at present. Although it has a low carrying capacity, it is felt that with suitable management and a certain amount of environmental improvement such as bush clearing, this could be considerably increased.

Pennisetum types

P.1 TANZANIA

Pennisetum clandestinum - P. schimperi Themeda triandra - Eratheca abyssinica - Pennisetum catabasis - Panicum trichocladum -Andropogon pratensis - Digitaria scalarum - Aristida adoensis - Eleusine jaegeri

In some areas Pennisetum catabasis grows in soils which might hold up water but this is not generally where it occurs most frequently, as it does in Kenya (Type P.2). This type is an open grassland with grasses 18 to 36 inches (45 to 90 centimetres) high, or sometimes short and dense, often with Kenya white clover associated. The dominance of certain species depends on fire, soil fertility and grazing intensity. Although this grassland has been classified as a Pennisetum type, in Kenya it is considered by Trapnell to have been originally a Themeda type, derived in the first place from evergreen forest. The Pennisetum species have taken over from the Themeda as a result of heavy grazing pressure and other biotic influences. Digitaria scalarum encroaches severely on cultivated lands.

This type occurs at altitudes of 5,000 to 8,000 feet (1,500 to 2,400 metres) with a rainfall of 30 to 60 inches (750 to 1,500 millimetres) distributed over two rainy seasons approximately between August and December and between March and June. (It is similar in many respects to type P.2 in Kenya.)

The grazing quality of the North Mara Highland Grasslands has deteriorated greatly due to uncontrolled grazing and burning, and coarse, wiry tufted grasses such as Pennisetum catabasis, Aristida adoensis and Sporobolus indicus have become dominant over wide areas. A system of alternate husbandry and mixed farming would appear to be of value in developing move palatable grazing, as Pennisetum catabasis does not re-invade cultivated land, and Rhodes grass could be sown as a ley pasture to prevent Digitaria scalarum from encroaching. Even a three-year fallow has brought back an excellent cover of palatable indigenous species.

Under natural conditions this type has a carrying capacity of about 12 acres per beast but this can be considerably increased by controlled management and environmental improvement such as clearing.

P.2 KENYA

Pennisetum clandestinum - P. schimperi - Themeda triandra - Panicum trichocladum - Andropogon pratensis - Digitaria scalarum - Eleusine jaegeri

(Exotheca abyssinica and Pennisetum catabasis occur on areas with impeded drainage.)

This is an open grassland with grasses 18 to 36 inches (45 to 90 centimetres) high, or sometimes short and dense, often with Kenya white clover associated. The dominance of certain species depends on fire, soil fertility and grazing intensity. Although this grassland has been classified as a Pennisetum type, it is considered by Trapnell to have been originally a Themeda type, derived in the first place from an evergreen forest. The Pennisetum species have taken over from the Themeda as a result of heavy grazing pressure and other biotic influences. This type is found at altitudes ranging from 5,000 to 10,000 feet (1,500 to 3,000 metres) with a rainfall of 30 to 90 inches (760 to 2,300 millimetres).

Pennisetum schimperi is a coarse grass of low palatability, undesirable in pastures, and fire can, if hot enough, suppress it in favour of the much superior Themeda. In places of high fertility, Kikuyu grass (Pennisetum clandestinum) can be dominant. This occurs either on land recently cleared from forest, or in heavily manured herding places. In the areas of lower rainfall the forest does not regenerate easily and the grassland is usually treeless. Swampy types of grassland occupy considerable areas on flat land near Eldoret (Uasin Gishu Plateau) and at the Kinangop.

Agriculturally this is a. mixed-farming area with cereals, pyrethrum, potatoes and similar crops. European grasses such as cocksfoot and the ryegrasses are cultivated in leys. The grazing capacity of the natural grassland varies considerably, and is usually 4 to acres (1.6 to 3.2 hectares) per head per year.


FOTO'S VAN STUDIETRIP NAAR KENYA EN TANZANIA 1976